De toekomst van de identiteit/de identiteit van de toekomst

Symposium bij het afscheid van het Blaise Pascal Instituut op 28 november 2008

 

Een centraal thema in het onderzoek van het Blaise Pascal Instituut en diens voorganger het Bezinningscentrum is, zo men wil, was identiteit. Daarom zal het ook het centrale thema zijn van het symposium dat ter gelegenheid van diens einde plaatsvindt. Dit symposium wordt letterlijk een ‘samen-spraak’, een gesprek van mensen, vooral ‘VU-mensen’ over waar het met identiteit naar toe gaat: wat is er aan de hand met de identiteit van de menselijke  persoon, wat is er aan de hand met de identiteit van een organisatie als de Vrije Universiteit en wat is er aan de hand met de identiteit van Nederland?  

 

Bezig-zijn met en nadenken over identiteit is in. Dat geldt zowel voor de identiteit van individuele personen als ook voor die van organisaties, en eveneens voor die van grote groepen als samenlevingen. Die observatie roept twee vragen op. De eerste vraag is waarom nu zo veel over identiteit gesproken wordt; de tweede is wat met het bezig-zijn met identiteit gezocht en beoogd wordt.

Het antwoord op de eerste vraag moet gezocht worden in een analyse van processen als modernisering, secularisering en globalisering. Een gevolg van het moderniseringsproces is dat identiteit – vooral die van personen – niet meer vanzelfsprekend is. Ooit ontleende men aan een groep, een stand, een klasse, de maatschappij, de eigen identiteit. Het moderniseringsproces leidt er echter toe dat individuen zich niet meer primair als een deel van een geheel zien maar als los staande entiteiten die waarde in zichzelf hebben. Het seculariseringsproces leidt tot het verdwijnen van het geloof dat identiteit geschonken wordt door God. Hun identiteit is niet meer een gegeven of een geschenk maar een project dat het individu zelf moet uitvoeren. De overtuiging dat individuen waarde in zichzelf hebben, is nauw verbonden met de gedachte dat mensen van nature gelijk zijn. Gelijkheid kan echter ook inwisselbaarheid betekenen. Wezenlijk onderdeel van het huidige ‘project van de identiteit’ is daarom de noodzaak zich te onderscheiden van anderen. Het globaliseringsproces brengt met zich mee dat organisaties en groepen minder duidelijke grenzen krijgen, ook dat we steeds meer te maken krijgen met mensen die in cultureel, religieus of etnisch opzicht anders zijn. De confrontatie met het andere, het vreemde noopt tot reflectie op de eigen identiteit.

Om op de tweede vraag – de vraag wat met het bezig-zijn met en het nadenken over identiteit gezocht en beoogd wordt – een antwoord te kunnen geven is het nodig om onderscheid te maken tussen verschillende perspectieven van waaruit identiteit benaderd kan worden. Het eerste perspectief is dat van het spanningsveld tussen continuïteit en verandering. Mensen, groepen en organisaties veranderen voortdurend. Wat is dan het criterium om vast te stellen dat een persoon, een organisatie als een universiteit bijvoorbeeld, of een samenleving als de Nederlandse op dit moment nog dezelfde is als 20 jaar geleden? Het tweede perspectief is dat van het spanningsveld tussen gelijkheid en verschil. Waarin verschilt een persoon/organisatie/groep van een ander persoon/organisatie/groep? Wat zijn de onderscheidende kenmerken? Het derde perspectief is dat van het spanningsveld tussen het wezenlijke en het accidentele, tussen het centrum en de periferie. Vanuit dat perspectief wordt gevraagd naar de kenmerken die een persoon/organisatie/groep constitueren tot wie die is. Nu zou men kunnen denken dat de drie verschillende perspectieven uiteindelijk wegen zijn die tot hetzelfde leiden, maar dat is onjuist. De gelijkblijvende kenmerken van iets zijn niet noodzakelijk de kenmerken die het onderscheiden van iets anders en ook niet noodzakelijk de kenmerken die het maken tot wie/wat het is.

 

Doel

Doel is om de hedendaagse zoektocht van personen, organisaties en groepen naar identiteit nader te beschouwen en in een breder sociaal en cultureel kader te plaatsen. Het vermoeden is dat de huidige projecten van identiteit vooral te maken hebben met het spanningsveld van gelijkheid en verschil. Gezocht wordt niet zelden naar wat een persoon, een organisatie of een groep onderscheidt van een ander persoon, van een andere organisatie of van een andere groep, wat hem of haar daarmee aantrekkelijk maakt in de maatschappelijke competitie. De zoektocht naar identiteit lijkt daarmee in het teken te staan van een dwang tot onderscheiding: de persoon die via ‘impression management’ in zijn of haar unieke identiteit anders wil zijn dan anderen, een organisatie als de VU die haar identiteit universiteitsbreed wil laten uitstralen om zo anders en meer bijzonder te zijn, de Nederlandse samenleving waarin men bijna wanhopig naar het eigene zoekt, om ‘anders’ te zijn dan andere samenlevingen en om Nederlanders geborgenheid te geven.

 

Vragen

Het vertoog van identiteit-als-verschil, ‘identiteitspolitiek’, lijkt vandaag de dag dominant. Maar is dat wenselijk? Wat zijn de gevolgen van het feit dat personen in doen en laten anders willen zijn (en in de sociale werkelijkheid toch zo vaak op elkaar lijken)? Wat zijn de gevolgen van het verlangen van een universiteit om nu eens echt, dat is VU-breed, bijzonder te zijn? Wat levert de Nederlandse identiteitsdwang op? Is het überhaupt wel mogelijk één unieke, vaste identiteit van persoon, organisatie, groep te realiseren? En zo ja: staat de fixatie op de unieke identiteit en op verschil met ‘het andere’, niet ontmoeting en dialoog in de weg? Is het streven naar een vaste, unieke, enige identiteit uiteindelijk niet gevaarlijk, een bron van psychische of culturele en sociale conflicten (aldus Amartya Sen, Identity and Violence: The Illusion of Destiny, 2006)? Is het daarom niet beter te streven naar een erkenning van de diversiteit van identiteiten en een identiteitsvertoog te ontwikkelen dat minder aandacht voor identiteit-als-verschil en meer aandacht voor identiteit-als-het-wezenlijke?

 

Opzet

Dit symposium opent met een publiekslezing van hoogleraar sociologie, rechtssociologie en empirische sociologie Cees Schuyt over de Risico’s van identiteit. Daarna zijn er drie sessies over de identiteit van, achtereenvolgens, ‘De persoon’, ‘De Vrije Universiteit’, en ‘Nederland’. Elke sessie duurt een uur. Elke sessie wordt ingeleid door twee statements van deskundigen van ieder maximaal tien minuten, waarna een deskundige gespreksleider in elke sessie 40 minuten tijd geeft voor gesprek. De bijdragen van de inleidende deskundigen en de hoofdpunten uit het gesprek worden gepubliceerd in een afsluitend, extra luxe uitgegeven nummer van In de Marge. De afzonderlijke, na elkaar komende sessies zijn:

 

‘De persoon’

In literatuur over de identiteit van de persoon wordt vaak gewezen op de spanningsvolle relatie tussen de vorming van een identiteit en de samenleving. De huidige samenleving – gedifferentieerd, gefragmenteerd, ‘liquid’, postmodern etc. - zou het mensen buitengewoon moeilijk maken een stabiele identiteit op te bouwen. De ‘romantische’ persoon, met een identiteit die steunt op een sterk innerlijk.zelf, zou niet meer bestaan. De flexibiliteit van het moderne leven, aldus socioloog Richard Sennett, vooral de flexibiliteit op het moderne werk zorgt voor een ‘corrosion of character’ (Richard Sennett) en voor in de grond van de zaak (hart) onzekere mensen, mensen die niet in staat zouden zijn een duidelijke identiteit op te bouwen. De reden dat er vandaag de dag zoveel over identiteit gesproken wordt, zou dan ook zijn dat identiteit niet meer mogelijk is voor de mens die leeft in een postmoderne wereld.Er zouden alleen nog maar steeds veranderende identiteiten bestaan. Een flink deel van de mensen zou, aldus socioloog Zygmunt Bauman, zou echter niet kunnen leven met een voortdurend veranderende identiteit en zou op een of andere manier op zoek zijn naar geborgenheid, dat is naar veiligheid voor hun eigen identiteit. De vraag die dit oproept is waarom, als ‘we’ zo op zoek zijn naar identiteit, waarom ‘we’ dan graag die identiteit in verschil met anderen willen hebben? Anders gevraagd: wat kan, in de huidige, postmoderne omstandigheden, nog identiteit van de persoon zijn?

Inleiders: prof.dr. A.W. Musschenga (BPI/Wijsbegeerte VU), prof. dr. D. de Ruyter (FPP VU)

 

‘De Vrije Universiteit’

Niet alleen de ‘bijzondere universiteit’ staat onder druk, ook de ‘gewone’ universiteit. De letterlijk ‘globale’ achtergrond van die veranderingen is dat we op weg zijn naar een postinstitutionele samenleving, een samenleving waarin oude ‘dikke’ instituties plaats maken voor ‘dunne’ flexibele, transnationale netwerken. Het denken in termen van instituties en structuren lijkt min of meer outdated te zijn geworden, schreef J.A.A. van Doorn al in 2000. De universiteit, tot voor kort een instituut dat dienstbaar was aan een nationaal bepaalde gemeenschap, een instituut dat vaak ook zelf een specifieke culturele erfenis doorgaf, staat onder druk van postmodernisering en globalisering. De voortdurende stroom van kennis en informatie, de in- en uitstroom van medewerkers, de in- en uitstroom van studenten uit het buitenland, de culturele diversiteit aan de universiteit, de constant veranderende curricula, de inbedding van onderzoekers in transnationale netwerken, de ‘interdisciplinarisering’ – dat is de doorbreking van de traditionele grenzen tussen disciplines en faculteiten – de ‘verengelsing’ van de taal, dat zijn allemaal factoren die maken dat het ‘dikke’ instituut  universiteit aan het verdunnen is. Deze factoren maken niet alleen ‘de’ idee van de universiteit als zodanig vervaagt, en de plaats van dit instituut in onze cultuur onduidelijk, ze zorgen er ook voor dat de specifieke bijzondere identiteit van elke afzonderlijke universiteit aan het vervagen is, bijvoorbeeld ‘het bijzondere’ van de VU. In deze omstandigheden is het de vraag hoe in een organisatie als de Vrije Universiteit VU-breed de bijzondere identiteit tot uitdrukking moet komen.

Inleiders: prof.dr. M.E. Brinkman (Fac. Godgeleerdheid VU), prof.dr. Jan Boersema (BPI/FALW VU)

 

‘Nederland’

Nederland, schreef cultuursocioloog Dick Houtman onlangs, lijkt verwikkeld in een bijna wanhopige zoektocht naar identiteit. Tekenen daarvan zijn onder meer de pathologisering van islamistische identiteiten, de keuze voor radicaal rechtse of nationalistische ‘bewegingen’, de overvloed aan aandacht voor integratie, inburgering, hoofddoekjes, boerka’s en boerkina’s, de druk waarmee de historische ‘canon van Nederland’ ingevoerd zou moeten worden, de hysterie waarmee op een uitspraak van prinses Maxima werd gereageerd, het Nationaal Historisch Museum, en natuurlijk, de steeds heviger aanvallen van Oranjekoorts, aanvallen waarin vele Nederlanders volgens antropoloog Salemink via de mediale weerspiegeling van de strijd op het veld een Nederlandse identiteit zelfs emotioneel-lichamelijk eigen maken. Ondertussen heeft Nederland als natie misschien wel een identiteit, maar is het als natie altijd een imaginaire gemeenschap, zodat de Nederlandse identiteit dus hooguit in de hoofden van een aantal mensen aanwezig is. Dit roept de volgende vragen op: waarom precies zijn Nederlanders op zoek naar een Nederlandse identiteit? Hoe reëel is een alleen maar ‘beleefde’ identiteit van Nederland? En hoe ‘anders’ is dan de gevonden Nederlandse identititeit?

 

Inleiders: prof.dr. O. Salemink (FSW VU), prof.dr. H. Pleij (bijzoner hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, UvA)

 

Programma

10.30 u: Ontvangst

11.00 u - 12.00 u  Cees Schuyt (Amstelzaal VUmc)

12.00 u – 13.00 u. Lunch door het BPI aangeboden aan alle deelnemers

13.00 u: Opening middagdeel

13.05 u – 13.15 u. Overweging door drs. R.M. Smit, voorzitter CvB VU

13.15 u – 14.15 u. Sessie ‘De Persoon’

14.15 u – 14.30 u: Divertimento

14.30 u – 15.30 u: Sessie ‘De Vrije Universiteit’

15.30 u – 15.45 u: Thee

15.45 u – 16.45 u: Sessie ‘Nederland’

16.45 u: Afsluiting

17.00 u vv. Receptie.

Voorzitter: prof.dr. A. van Harskamp (BPI/FSW VU)

 

Deelname is gratis, aantal deelnemers is beperkt. Opgave en informatie bij Nienke Eikelboom, 020-5985673, e-mail: n.eikelboom@dienst.vu.nl