‘Het’ kwaad bestaat niet, daarom moeten we er ernstig rekening mee houden

 

Anton van Harskamp (Vrije Universiteit Amsterdam)

 

Ieder nuchter, rationeel denkend mens weet het: ‘hét’ kwaad, dat is een begrip van vroeger tijden, van tóen. Tóen zouden bijna alle mensen nog volop en vanzelfsprekend religieus zijn, tóen zouden zij de wereld nog zien als een strijdperk van alles beslissende machten, de macht van het goede, van het goddelijke, én de altijd ondermijnende macht van het kwade, het duivelse. Maar wíj, mensen van deze postmoderne tijd, hebben weliswaar weinig zekerheden meer, maar van de zekerheden die we over hebben, is dít er toch één van: het bestaan van ‘hét’ kwaad  en van de verpersoonlijking ervan in de satan, duivels en heksen, zijn mythische projecties, schimmen van een voorgoed voorbij verleden, op z’n best goed voor wat gegriezel voor de t.v. en in de bioscoop, producten van de amusementsindustrie.

 

En laten we nu direct vaststellen, dat alles er op wijst dat deze nuchtere, rationeel denkende mensen op het eerste gezicht gelijk hebben: de veronderstelling dat ‘hét’ kwaad als een zelfstandige macht bestaat, is onzin.

Denken we bijvoorbeeld even aan de truc die de taal met ons uithaalt wanneer het over goed en kwaad gaat. We weten aan de ene kant, dat de begrippen ‘goed’ en ‘kwaad’ in onze taal natuurlijk vaak gebruikt worden, en terecht. Maar aan de andere kant, als we nuchter en redelijk blijven denken, weten we ook dat die begrippen alleen als adjectief, bijvoeglijk naamwoord, of als adverbium, bijwoord, gebruikt kunnen worden, kort gezegd: dus altijd als een woord, dat wíj aan een constatering of beschrijving toevoegen: wíj, menselijke subjecten doen dat dus. Wanneer we bijvoorbeeld zeggen, dat een gebeurtenis die ons overkwam slecht of kwaad was, of wanneer we van een mens zeggen dat hij een ín en ín slecht=kwaad mens is, Pol Pot bijvoorbeeld, of Karadzic, of die ene, elke nacht keiharde rockmuziek-draaiende buurman in onze flat, dan kunnen we van taalanalytici leren, dat we meestal één van deze drie dingen doen: 1) Óf we drukken ónze emotie uit, we geven uitdrukking aan óns subjectieve gevoel van verontwaardiging (emotivisme) 2) Óf we verrichten een zogenaamde taalhandeling, dat wil zeggen, we roepen feitelijk via óns spreken op tot het stellen van een daad, ja we verrichten soms zelfs de daad, bijvoorbeeld door te melden dat we de hardrockende buurman eens zullen aanpakken, even de waarheid zeggen bijvoorbeeld, of aangeven bij de politie, of – typisch alledaags kwaad – terugpakken, het liefst met klassieke muziek (Mahler! taalact-theorie). 3) Óf – de derde mogelijkheid – wij geven met de uitspraak over het kwade aan, dat een ding, een gebeurtenis, een mens, niet voldoet aan een bepaald bedoeling (prescriptivisme). Maar in alle gevallen zijn wíj het die de woorden ‘goed’ en ‘kwaad’ als subjectief oordeel toevoegen aan een mens, een ding, een gebeuren. Anders gezegd, spreken over goed en kwaad geeft altijd een relatie aan, die wíj leggen tussen onszelf en datgene waarvan we zeggen dat het goed of kwaad is. Maar... dan ineens, wanneer we het over ‘hét’ kwaad hebben, doen we dat niet meer, dan suggereren we dat ‘kwaad’ iets zelfstandigs is met eigen kracht en werking. In plaats van een bijvoegsel dat wij toevoegen, hebben we het over een zelfstandig naamwoord ...?! Dát nu is onzin, een truc van de taal, een letterlijk meta-fysische truc, een verleiding om achter de werkelijkheid, in plaats van sléchts ónze subjectieve emotie of oordeel te zien, een zelfstandig werkende kracht te veronderstellen. Redelijke, nuchter denkende mensen zouden daar niet aan mee moeten doen.

            Er zijn nog meer aanwijzingen dat de verzelfstandiging van het bijvoeglijk naamwoord of bijwoord ‘kwaad’ niet zinnig is. Eén van de denkers die de trucs van de taal doorzag, was Friedrich Nietzsche. Hij noemde het spreken over ‘het’ kwaad één van de ‘versteende grondfouten’ ‘versteinerte Grundirrthümer’ van het menselijk spreken en het denken. En hij dacht dóór, en vroeg zich dus ook af wat eigenlijk de diepste oorzaak was van die menselijke neiging om de wereld te zien als een strijdperk van ‘het’ goede en ‘het’ kwade. De essentie van zijn antwoord herkennen we en horen we tot op de dag van vandaag. Kort door de bocht gezegd gaf hij feitelijk aan, dat mensen de begrippen ‘goed’ en ‘kwaad’ gebruiken om macht over elkaar uit te oefenen. Macht dus: ‘goed’ en ‘kwaad’ zijn om zo te zeggen talige instrumenten, waarmee de ene groep mensen de andere groepen wil beheersen. Dat begon met de priesters, de bisschoppen en predikanten die de massa regels wilden voorschrijven hoe te leven, wat te doen en wat na te laten, en dat zette zich voort tot op de dag van vandaag tot vrijwel alle wereldlijke machthebbers, bureaucraten, wetgevers en opvoeders, volgens Nietzsche dus. ‘Goed’ staat dan voor leven dat geregeld, geordend is, ‘kwaad’ voor chaos en regelloos leven. De moraal, dus zeg maar het handelen en denken in termen van ‘goed’ en ‘kwaad’, is vanuit dat perspectief niets anders dan een middel van machthebbers om anderen te disciplineren en er onder te houden. En waarom, Nietzsche vraagt nog verder, passen zo ontzaglijk veel mensen zich telkens weer aan dat tamelijk gemakkelijke moralistische bedrog van geestelijke en wereldlijke machthebbers? Ook daarover heeft hij vele gedachten, die, sterk simplificerend, hierop neerkomen: bijna ieder van ons past zich aan, gehoorzaamt meestal aan de moraal, omdat we, verleid door ons taalgebruik en door een traditie van eeuwenlang christendom, ten diepste angstige wezens zijn. We zijn bang, bang om alleen te staan en eenzaam te zijn, niet bij een groep te horen, want, zo geeft Nietzsche onovertroffen scherpzinnig aan: de moraal, ‘goed’ en ‘kwaad’, worden door de geestelijke en wereldlijke machthebbers vooral gebruikt om het gedrag en het denken van de eigen groep ‘goed’ te vinden en de andere, ‘kwade’ groep uit te sluiten. En omdat we als enkelingen bang zijn, beangst om echt alleen te staan, om buiten een groep te vallen, accepteren we de moraal.

Even terzijde: de essentie van dit inzicht – de maatschappij of uiteindelijk wij als zelf als collectief of individu scheppen het kwaad dat dus geen zelfstandige kracht is - duikt regelmatig op, in overigens telkens weer nieuwe gestalten. Het was vooral populair in de jaren ’60 en ’70 en ook nog wel in de jaren ’80. Ik herinner me een boek, dat in die tijd tientallen drukken had en op sociale academies en universiteiten vaak en enthousiast gelezen en besproken werd: Die Gesellschaft und das Böse: Eine Kritik der herrschenden Moral (Frankfurt/M) van een zekere Arno Plack, pedagoog. De grondgedachte in dat boek is dat alleen de samenleving, ‘de’ maatschappij, verantwoordelijk is voor het scheppen van het kwaad: moraal is hét middel bij uitstek voor ‘Herrschaft’. Vooral de dwang tot concurrentie in ons beroepsleven en de consumptiezucht in ons privé-leven zijn door ‘de’ maatschappij als het ware in ons ingekankerde regelmechanismen. Die mechanismen zorgen voor verlies van creativiteit, voor verdringing van vrije sexualiteit en voor in wreedheid omgeslagen angst voor de dood (want wreedheid, zo zag Plack wel scherp in, heeft te maken met de verdringing van de dood, míjn dood die ik wil wegdrukken door de baas over anderen te spelen, desnoods met geweld). Uiteraard zou volgens Plack en het toenmalige zestiger- en zeventigerjaren-denken ‘de’ echte mens, dat is de werkelijk gezonde, niet door ‘de maatschappij’ gereguleerde mens, niet ‘kwaad’ kúnnen zijn.

U denkt misschien: ach, dat waren waandenkbeelden van de jaren ’60 en ’70. Maar dát is de vraag. Die gedachte, de gedachte dus dat het kwaad een product is, een menselijk maaksel, en daarmee geen eigen, zelfstandige werkelijkheid, duikt telkens op; vandaag de dag bijvoorbeeld in meerdere vormen van nieuwe religiositeit. Die opkomst van nieuwe religiositeit, met name in een New-Age-achtige gestalte, wordt wel eens een samenzwering van het optimisme genoemd, levensbeschouwelijk optimisme. Waarom? Kort door de bocht: omdat het kenmerkend is voor veel nieuwe religiositeit, dat kwaad geen realiteitswaarde heeft maar een illusie is, een nog niet geheel doorziene projectie van onze angst- en schuldgevoelens op de wereld, denk aan De Celestijnse Belofte, lees Een Cursus in Wonderen. Ik kan hier nu niet verder op in gaan, maar ben zo ijdel - en dus zo alledaags kwaad - om u op mijn boek, Het nieuw-religieuze verlangen, te wijzen, over de opkomst van een uiterst optimistische levensvisie dus.

 

Kortom, de conclusie mag zijn, dat het niet onredelijk is, eerder nuchter, om te vinden dat ‘het’ kwaad niet bestaat, en dat ‘het’ kwaad een verwerpelijke abstractie is. En, als ik meer tijd had, meer voorbereidingstijd ook, dan had ik ongetwijfeld nog meer aanwijzingen kunnen geven, bijvoorbeeld uit wetenschappelijk onderzoek naar het gedrag van dieren en mensen, of uit de sociobiologie, die alle er op neerkomen dat wat wij op een traditionele wijze ‘kwaad’ noemen, niet meer is dan een nuttige functie voor het menselijk overleven, en zeker geen zelfstandige werkelijkheid, maar dat laat ik hier maar; ik duid alleen maar aan: het zijn allemaal en telkens weer manieren om ‘hét’ kwaad weg te verklaren.

 

En tóch lijkt het me – nu komt de omslag – bij nóg eens nadenken onverstandig om de mogelijkheid te betwisten, niet van het bestaan van ‘het’ kwaad, maar wel van de werking van het kwaad. Mijn punt is: ‘hét’ kwaad bestaat weliswaar niet, maar ‘hét’ werkt wel!

Daarvoor noem ik u twee soorten van argumenten: één uit de geschiedenis van christendom en cultuur, en één uit onze alledaagse ervaringen.

 

Eerst dus een paar opmerkingen met betrekking tot de geschiedenis van christendom en cultuur.

We kunnen vanaf de hoogte van onze tijd wel heel neerbuigend doen over vroeger tijden, toen mensen nog in hel, satan, duivelen en heksen zouden geloven, maar zo simpel is het beeld natuurlijk niet. Om te beginnen wist men, zeker al in de oud-testamentische tijd, dat ‘het’ kwaad of ‘de’ duivel juist níet als zelfstandige krachten bestaan. In het zogeheten Oude Testament - waarin tussen haakjes de duivel maar drie keer voor komt - was hij eerder degene die de verlokker, de verleider vertegenwoordigt. Hij staat dan als zodanig voor de kracht die om zo te zeggen altijd onmiddellijk nabij is aan het goede, ja er bijna eigen aan of mee is in die zin fungeerde hij vooral als een ‘aanklager’ bij God van de mensen en stond hij symbool voor de verleiding waarmee de menselijke vrijheid altijd te maken heeft, namelijk de eigen vrijheid te ontkennen of op te rekken tot goddelijke afmetingen[1]. Sterker nog, het werd in de na-bijbelse tijd gewoonte om vast te stellen dat ‘het’ kwaad niet bestond. Let wel, het bestond niet in de zin van: ‘hét’ had en heeft geen eigen substantie, 'hét' wás en ís niet ‘iets bestaands’ achter of in de dingen die we waarnemen. ‘Het’ kwaad, zo lezen we telkens, moeten we zien als letterlijk ‘Niets’, het heeft filosofisch gezegd geen ‘zijn’, maar ... en nu komen de moeilijkheden ... we zien wel de werking van het kwaad, namelijk voorzover dat ‘niets’ tekort doet aan het goede, er als het ware stukken van afneemt, zorgt voor lege plekken. We gaan maar even voorbij aan alle moeilijke zaken die hier liggen, maar houden vast, dat ook de christelijke traditie weet, dat, ondanks alle volksgeloof in duivels en demonen, ‘hét’ kwaad in de meest letterlijke zin van het woord niet bestaat.

Een ander belangrijk inzicht uit de traditie is, dat de werking van het kwaad er in bestaat, dat het niet wíl dat men in het kwaad gelooft! En dat is een element van de traditie waardoor mensen vandaag de dag op hun hoede gebracht zouden moeten worden. Zó rationeel en zó zeker als we zijn in onze hautaine overtuiging, dát 'hét' kwaad niet bestaat, zouden wij – want het gaat over ons – toch moeten bedenken, dat juist de christelijke traditie er op wijst, dat het kwaad altijd zo nabij is, een zo verlokkend en verleidend deel van het concrete, goede bestaan, dat we het niet opmerken. Vandaar dat de hoogste overwinning van het kwaad de gedachte is, dat er geen enkel spoor en geen enkele werking van te bespeuren is. Op dit punt zijn zeer verschillende mensen het toch met elkaar eens. Zo kunnen we zowel bij de atheïstische filosoof Ernst Bloch lezen, als bij de dichter Baudelaire, als bij paus Johannes Paulus II, dat de ultieme victorie van het kwaad er in bestaat om de werking ervan niet te laten zien, maar die juist verborgen te houden onder een onschuldige, schitterende mantel ; zodat, om nog maar één auteur aan te halen - de Amerikaanse historicus William Frady - het kwaad vandaag de dag ‘in zachte en gevoelige modulaties spreekt, met een kleenex laagje van beschaving, het kan gekleed gaan in double-breasted pakken, met attaché-koffertjes, en kan gezien worden door wie daar oog voor heeft, in grafieken, beleidsvoornemens, prognoses, bureaucratieën, ondernemingen en universiteiten’, het is, kortom, bij voorkeur juist dáár, waar men het minst geneigd schijnt te zijn nog van kwaad te spreken, maar dit laatste was een terzijde.

Kortom, vanuit de christelijke traditie gezien staat men niet echt vreemd te kijken, wanneer men zegt dat ‘het’ kwaad niet bestaat: dat heeft men volgens die traditie altijd al gezegd. En het feit dat men dat vandaag de dag, in een geseculariseerde tijd, dat juist zo duidelijk zegt, zou de mensen van vandaag volgens die traditie juist extra voorzichtig moeten maken: want het kwaad wíl niet als kwaad gekend worden, nee, juist eerder als zijn tegendeel. 

 

Dat brengt me bij het tweede argument om toch, ondanks dat we niets weten van oorzaak en dragers van het kwaad, de wérking er van wel te erkennen. En dat is simpelweg de alledaagse ervaring. Ik bedoel niet in de eerste plaats de ervaring van het kwaad in de grote verschrikkingen als aardbevingen of overstromingen, of bij kinderen met genetisch bepaalde misvormingen, of bij gruwelen als Auschwitz, Rwanda, nee, ik bedoel de evidenties van de alledaagse ervaringen volgens welke we enerzijds niet weten dat ‘hét’ bestaat, maar anderzijds er zeker van zijn dat ‘hét’ wel werkt, ofschoon we de kracht, zeg maar het subject erachter niet kennen en begrijpen. Te denken is bijvoorbeeld aan de jalouzie, het fluisteren, de ongeremde ambitie, het terloopse negatieve oordeel en vooral het geklets, of beter het eindeloze gezwets waarin terloops, uiteraard zonder negatieve bedoelingen, maar wel on-nadenkend, en met soms vergaande gevolgen, levens van mensen beschadigd worden. De filosoof Heidegger zag terecht in het geklets, ‘das Gerede’, een soort grondvorm van de werking van modern kwaad, een attitude in onze moderne cultuur waarin over anderen gesproken wordt, zonder dat dit berust op enig echte, persoonlijke kennis van die anderen. Het is een terloopse manier van spreken waarin niet de enkeling spreekt, maar zogezegd alleen de taal van de conventie en het vooroordeel spreekt, zodat juist daardoor schade aangericht wordt. En dan zien we goed hoe, ik laat nu Heidegger los, volgens de traditie, ja de christelijke traditie, het kwaad werkt: het heeft geen begin, geen duidelijk aanwijsbare actor, is dus lang niet altijd terug te voeren tot kwade bedoelingen van anderen, maar woekert voort, in essentie onverklaarbaar, het leven van de menselijke 'objecten' van dat gezwets verpestend en schadend.

            Een laatste voorbeeld van de evidentie van de werking van het kwaad, nu in het individu. En schrik niet, ik haal dat voorbeeld uit een tekst die slaat op een alledaagse gebeurtenis van zo’n 1630 jaar geleden! Het is een tekst van Augustinus, die man die wel de calvinist onder de kerkvaders genoemd wordt, maar die ondanks z'n doctrinaire hardheid en onverdraagzaamheid regelmatig een diep inzicht had in en niet te vergeten bewogenheid met menselijke drijfveren. Het is een verhaal uit zijn Confessiones/Belijdenissen (boek 2, 9-18). Het gaat over een perendiefstal die hij samen met een aantal andere tieners op een nacht pleegde, na, zoals gewoon was, uren met elkaar op straat rondgehangen te hebben. In de tekst stelt hij zichzelf eigenlijk maar één vraag: waarom dééd ik dat eigenlijk toen? Waarom deed ik mee aan wat op het eerste gezicht een redelijk onschuldige kwajongensstreek was? Maar was het wel een kwajongensstreek? Op de keper beschouwd niet, volgens Augustinus. Want wat was het geval? De peren die hij met zijn vrienden stal, smaakten niet bijzonder lekker, ze zagen er niet echt goed uit, bij hem thuis hadden ze lekkerder peren. Ze gooiden direct na de diefstal de peren dan ook weg. Bovendien blijkt uit het verhaal dat ze als jongens ook geen grieven hadden jegens het slachtoffer, ze waren nooit beledigd, geschaad of bedreigd door de perenboombezitter, het was 'zomaar' iemand, in wie geen enkele aanleiding gevonden kon worden om hem te schaden. En dan komt Augustinus tot een overweging over het kwaad als zodanig. Hij geeft aan, dat het zogenaamde grote, het evidente kwaad, van moord, grootschalige wreedheid en roverij heel vaak een oorzaak en vooral een doel heeft buiten dat berokkenen van het kwaad zelf! Hij noemt bijvoorbeeld Catilina, de opstandeling en moordenaar, symbool van slechtheid in het Romeinse rijk, en zijn punt is: in de grond van de zaak hadden Catilina en al die andere grote moordenaars, dieven en rovers, altijd een motief en een doel om te moorden en te stelen. Uiteindelijk was dat, let op, om van het kwaad als zodanig af te komen. Ze wilden rijk gaan leven, ze wilden weer rust krijgen, of een afschuwelijke belediging wreken. Ze wilden, anders gezegd, hun wereld, die om wat voor reden dan ook diepgaand verstoord was, weer herstellen, letterlijk 'goed' maken. Daarin gaven ze, hoe je het ook wendt of keert, in zekere zin toch toe aan de neiging om uiteindelijk het goede te doen. In die zin had het kwaad dat ze verrichtten voor hen een zin. We kunnen zelfs zeggen dat het kwaad als mysterie hiermee grotendeels wegverklaard wordt, waarmee Augustinus ongeweten als het ware anticipeert op al die hedendaagse psychologen, biologen en sociologen die erin slagen het kwaad als mysterie ook weg te verklaren, door naar opvoeding, kwetsingen in de jeugd, genetische defecten, of 'de' boze, onderdrukkende maatschappij te wijzen. Maar precies dát, dat wegverklaren lukt niet wanneer het om zo'n onbenullige, alledaagse perendiefstal van een stel jongens gaat: er was niets in de opvoeding van die jongens, niets in de persoon van de perenboomeigenaar, ze kenden hem niet eens, er was geen onderdrukkende samenleving - integendeel, ze konden zonder bezwaar de hele avond en nacht zomaar buiten rondhangen. Nee, de enige 'verklaring' was dat ze het kwaad verrichtten omwille van het kwaad zelf. En in de grond van de zaak was dat misschien wel een verklaring van de daad, maar niet de verklaring van het motief erachter, van, om zo te zeggen, het kwaad zelf: waarom dat er is, waarom ze dat deden, daar staat het verstand letterlijk bij stil, ook bij Augustinus.

Zo zien we dat juist een alledaagse, schijnbaar onbenullig, nauwelijks echt 'kwaad' te noemen gebeurtenis, meer kan zeggen over het mysterie dat kwaad is, dan het zogenaamde grote kwaad.

Augustinus geeft overigens nog wel een belangrijke aanwijzing, niet zozeer over het onstaan van het kwaad - dat dus bestaat in het schaden van anderen, het aantasten van diens waardigheid, bezit en integriteit - maar wel over, duur gezegd, de sociale samenhang waarin het kwaad vaak staat. En dat gebeurt, wanneer hij vaststelt dat hij vast en zeker die perendiefstal nooit op z'n eentje had gepleegd. Hij deed het toen alleen als lid van een groep, een groep, waarin, denk aan zo'n groep van rondhangende jongens, zeer waarschijnlijk het gesnoef, het geklets, het gezwets, kortom praatjes een belangrijke manier van omgang met elkaar kunnen zijn. Precies dat, die nauwe, benauwende groep én het gezwets daarbinnen, die blijken een bedding te zijn die het kwaad, let wel, niet veroorzaakt of voor ons verklaart, maar misschien wel bevordert.

 

Ik moet er mee ophouden, heb al te lang gesproken. Ik hou alleen dit vast, namelijk dat het kwaad hoe dan ook een mysterie is, het bestáát niet in de zin die wij aan het woord ‘bestaan’ geven, het heeft geen duidelijke oorzaak, geen subject, geen duidelijke actor, en tóch werkt het, het wil mensen schaden, vernederen. Zodat we kunnen eindigen met de titel die ik aan dit praatje gegeven: ‘hét’ kwaad bestáát niet, dáárom moeten we er ernstig rekening mee houden.

 

Reacties welkom: a.van_harskamp@dienst.vu.nl

Sluit dit venster

 



[1] In 1 Kron. 21, 1, Job 1-2 en Zach. 3, 1-2 is de duivel zo iets als de ‘aanklager’ van de mensen, altijd in de nabijheid van God de Heer. Met name 1 Kron. 21,1 is hier interessant. Deze tekst is namelijk mede gebaseerd op het veel oudere verhaal dat in het tweede boek Samuel staat: waar in 2 Sam. 24, 1 staat dat de Here zelf David tegen zijn volk en zichzelf opzette (door een volkstelling in te stellen), daar wordt deze opvallende gedachte in 1 Kron 21, 1 getemperd, daar is het ‘gewoon’ de satan die David opzet! In dit verband is ook te denken aan de prachtige tekst bij Jesaja, waarin onomwonden uitgesproken wordt in de ik-vorm dat de Here het heil bewerkt én het onheil schep. Daar is er (nog) geen satan, geen van Gods goedheid afgescheiden kracht.