IDEALEN IN EEN GEÏNDIVIDUALISEERDE SAMENLEVING

 

Bert Musschenga   

 

 

Idealen, hebben we die nog? Of is dat iets van de jaren zeventig? Moeten we ze hebben? Waar zijn ze goed voor? Zijn idealisten betere, minder zelfzuchtige mensen of juist gevaarlijk omdat ze desnoods ten koste van alles hun dromen willen verwezenlijken? Over dit soort vragen wil ik het hebben.  Laat ik beginnen met een omschrijving van het begrip ‘idealen’. Een ideaal is de voorstelling van een situatie waarin een of meer verlangens of waarden verwezenlijkt zijn.1 Daarbij gaat het om verlangens en waarden die niet totaal in woorden te vatten zijn, maar wel een sterke zeggingskracht hebben. Idealen geven richting aan ons handelen en motiveren ons tot handelen. Abstracte waarden als zodanig doen dat niet. Vandaar de noodzaak om je een voorstelling te maken van een situatie waarin ze verwezenlijkt zijn. Wie geen fantasie, geen verbeeldingskracht heeft, heeft ook geen idealen. Tegelijk weet je dat ze nooit verwezenlijkt, maar alleen benaderd kunnen worden. De redenen daarvoor zijn dat we de werkelijkheid nooit volledig naar onze hand kunnen zetten, dat onze voorstelling van zo’n situatie altijd beperkt en gebrekkig is en dat we beperkte en onvolmaakte mensen zijn. Wie zich dat niet realiseert, is niet alleen een idealist maar ook een fanaticus.  Een ideaal hebben impliceert ook een kritische houding tegenover de bestaande werkelijkheid. Die voldoet of helemaal niet of onvoldoende aan de voorstelling van de gewenste toestand. Idealen hoeven echter niet altijd haaks te staan op de bestaande werkelijkheid. Wel overstijgen ze die altijd. Aan de sociale en politieke werkelijkheid van onze samenleving liggen idealen ten grondslag. Die hebben een voorlopige, onvolmaakte gestalte gekregen in wetten, instituten en regelingen. 

 

IDEALEN EN UTOPIEËN

Idealen heb je in soorten. Ze kunnen betrekking hebben op de-mens-die-je-wilt-zijn, op het soort leven dat je wilt leiden, maar ook op de fysische, sociale en politieke werkelijkheid om je heen. Ze kunnen klein en nuchter, maar ook alles omspannend en bevlogen zijn. In het laatste geval kom je in de buurt van de utopie. Utopieën zijn een speciaal soort idealen. Utopieën geven een voorstelling van een gewenste samenleving. Niet slechts een voorstelling in grote lijnen, maar tot in de kleinste details. Utopieën zijn blauwdrukken. In een utopie staat het sociale geheel centraal, niet het individu. Utopieën impliceren ook een radicale breuk met het bestaande, een geheel nieuw beginnen. Utopisten gaan ervanuit dat een dergelijke breuk mogelijk is. Ze denken dat de werkelijkheid in hoge mate maakbaar is. Hoewel utopieën altijd idealen omvatten, zijn idealen niet per definitie utopieën.2    

 

IDEALEN MAKEN ONRUSTIG

Idealen zijn prachtig, zullen sommigen zeggen. Maar het zijn woorden. Het rijk van vrede en gerechtigheid waarin wolf en lam in vrede samenleven, waarin er harmonie tussen mensen onderling en tussen mens en natuur is... Ach, was het maar zo. Hoe moeten we daar komen? Het is mooi om daar ‘s zondags in de kerk over te dromen. Of op vakantie. Of met je vrienden achter een goed glas wijn. Het leven van alledag neemt ons immers door de week in beslag. Niet de idealen bepalen ons leven, maar onze agenda. Onze gebodsborden zijn onze afspraken, deadlines en tentamendata. We hebben geen tijd om over idealen na te denken. En idealen mogen wel mooi zijn, ze kunnen ons ook neerdrukken omdat ze ons confronteren met het onvolkomene, het onvolmaakte.  Dat is waar, maar vluchten we soms ook niet weg in het leven van alledag? Door idealen op een voetstuk te plaatsen en als groots en onbereikbaar voor te stellen, kunnen we ze ons ook van het lijf houden. Idealen kunnen zin en richting aan ons leven geven. Idealen en zingeving hangen ten nauwste met elkaar samen. Juist, zal iemand zeggen. Maar net zoals het geen zin heeft om je af te vragen wat de zin van het leven is, heeft het ook geen zin om je druk te maken over idealen. Kijk toch om je heen. Grijp wat het leven te bieden heeft. Je altijd maar druk maken over wat onvolmaakt is en over wat niet of nog niet is, maakt je maar ontevreden en blind voor het goede om je heen.  Zijn idealisten ontevreden mensen? Een gezegde van vroeger, waarschijnlijk afkomstig uit een tabaksreclame, luidt: ‘Een tevreden roker is geen onruststoker’. Het is waar, idealen maken onrustig en idealisten zijn zelden tevreden mensen. En tevreden mensen zijn juist vaak gezellig en aangenaam in de omgang. Ze hebben weinig te wensen en alleen maar te verliezen. Tevreden mensen hebben hun ambities afgestemd op wat mogelijk is. Het zijn realisten en geen idealisten.  Laat ik terugkeren naar het leven van alledag. Daarin moeten we voortdurend keuzes maken. Sommige daarvan zijn triviaal, andere zijn van groter gewicht, omdat ze de koers zetten voor je leven. Welke studie wil ik volgen? Wat voor werk wil ik straks gaan doen? Hoe besteed ik m’n vrije tijd? Wil ik wel of niet met deze man of deze vrouw op wie ik verliefd ben m’n leven delen? Op welke partij ga ik stemmen? Dat zijn allemaal keuzen waarbij idealen nodig zijn als richtingwijzers. Dat kunnen kleine idealen zijn, maar het zijn idealen. Je hebt ze nodig als je niet stuurloos ten onder wilt gaan. ‘Oké,’ zal iemand zeggen, ‘als je dat met idealen bedoelt. Dat soort idealen heb ik ook. Maar ik pas er voor om grootse idealen na te streven. Daar word je alleen maar moe van. En uiteindelijk brengt het je niets.’ ‘Maar,’ werp ik dan tegen, ‘waarom ben je dan zo bang voor grootse idealen? Ben je dan werkelijk zo tevreden over de werkelijkheid zoals die is - dichtbij je bed en veraf?’ ‘Nee, maar ... wat kan ik daaraan doen?’ Idealen maken onrustig omdat ze je confronteren met het onvolmaakte in jezelf en in de wereld. Maar dat sluit niet uit dat je tevreden bent met wat er wél is, met wat al wél bereikt is. Tevredenheid omwille van de tevredenheid echter is eigenlijk een vorm van resignatie, van je neerleggen bij het bestaande.    

 

IDEALISME EN REALISME

‘Laten we toch alsjeblieft realistisch zijn,’ hoor ik iemand roepen. ‘Je hebt het zelf al gezegd. Idealen zijn niet realiseerbaar. Je mag ze “wenkende perspectieven” noemen, maar voor mij is een ideaal net zoiets als een horizon. Het wijkt voortdurend. Het wenkende perspectief blijkt uiteindelijk een fata morgana. Rationele mensen zoeken niet naar het maximale, maar naar het optimale. Ze maken er het beste van. Niet meer en niet minder.’ 

Dat is een interessant punt. Zijn mensen die idealen nastreven irrationeel bezig? Mensen met een rationeel-realistische kijk op onze samenleving zullen als volgt redeneren: ‘We leven in een welvarende samenleving. We hebben een heel grote welvarende klasse. Ook een klasse van belachelijk rijke mensen. En een klasse van mensen die zich sociaal en economisch niet goed kunnen handhaven. Maar wat wil je? Je moet de slimme en getalenteerde mensen zo veel mogelijk ruimte geven. Daar wordt de samenleving als geheel beter van. Oké, sommigen veel minder dan anderen of helemaal niet, maar zo zit de sociale en economische werkelijkheid in elkaar. Voor welvaart is vrijheid nodig. En vrijheid -economische vrijheid - leidt tot sociale en economische ongelijkheid. Meer dan gelijkheid van kansen kunnen we niet garanderen. Je hebt nu eenmaal mensen die weinig meegekregen hebben, van moeder natuur of van hun sociale milieu. Welvaart en geluk voor iedereen is nu eenmaal niet mogelijk. Besef dat toch! Vrijheid en sociale gelijkheid bijten elkaar.’  Het is waar dat er waarden zijn die elkaar bijten. Maar dit soort realistische verhalen kan ook gebruikt worden om de bestaande toestand te legitimeren. Als ook in vroegere tijden alle mensen geloofd zouden hebben dat hun samenleving misschien wel niet ideaal, maar wel de best mogelijke was, zouden we dan gekomen zijn waar we nu zijn? In het verleden zijn er mensen geweest die geloofden dat slaven voor een welvarende samenleving nodig waren. Een belangrijke reden voor sommigen om zich te verzetten tegen de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië was het idee dat Nederland zonder Indië economisch in de afgrond zou storten. De geschiedenis heeft ons geleerd dat die veronderstellingen onjuist waren.  De filosoof Nicholas Rescher heeft zich in zijn boekje Ethical Idealism beziggehouden met de vraag naar de verhouding tussen optimisme en rationaliteit.3 Je hebt optimisten die ervan overtuigd zijn dat de dingen in de toekomst beter zullen gaan en beter zullen worden dan ze nu zijn. Ze denken bijvoorbeeld de wetten van de geschiedenis te kennen en doen op basis daarvan hun voorspellingen. Dat soort optimisme is ongerechtvaardigd. Je hebt ook optimisten die hópen dat de dingen beter zullen worden. Bij hen is dat een houding, en geen vaste overtuiging, geen zeker weten. Maar ook het hebben van zo’n houding kan de loop der dingen beïnvloeden. Wie mensen benadert vanuit de instelling dat ze betrouwbaar en eerlijk zijn, zal meer betrouwbaarheid en eerlijkheid ontmoeten dan wie zich laat leiden door een fundamenteel wantrouwen. Het is niet helemáál onzinnig om over de kracht van positief denken te spreken. Het kan heel verstandig en rationeel zijn om je met optimisme aan een bepaalde klus te zetten, ook al zijn de kansen op succes klein. Sceptische realisten trekken de betekenis van idealen in twijfel omdat ze niet realiseerbaar en ‘dus’ zinloos zijn. Maar hoewel idealen min of meer fictieve voorstellingen zijn van een wenselijke stand van zaken en geen doeleinden die we denken te kunnen realiseren, geven ze wel een richting aan ons handelen. Als het ficties zijn, dan werkzame ficties. Idealen heffen ons uit boven de werkelijkheid van onszelf en de werkelijkheid om ons heen. Ménsen hebben idealen. Dieren zijn gericht op overleven en voortplanting. Mensen die geen idealen hebben omdat ze te realistisch zijn, of die de confrontatie met het onvolkomen niet aandurven, doen zichzelf te kort. Het is het streven naar idealen, naar wat je uittilt boven het bestaande, dat voldoening kan schenken. Het is niet alleen belangrijk wat je in je leven bereikt, maar ook wat je poogt te bereiken.  

 

DE MAAKBAARHEID VAN DE SAMENLEVING

Een belangrijk bezwaar dat vooral tegen maatschappelijke idealen en maatschappelijk idealisme wordt ingebracht, is dat de samenleving niet maakbaar is. Het planningsenken van het oude socialisme is in diskrediet geraakt. Het mislukken van socialistische experimenten is het beste bewijs dat de samenleving niet maakbaar is. Dichter bij huis wordt gewezen op het falen van de verzorgingsstaat. Wat waren de idealen van de verzorgingsstaat? Zo gelijk mogelijke welvaart door spreiding van macht, kennis en inkomen. Wat was het resultaat? Een onbetaalbaar geheel van verzorgingsarrangementen die van mensen afhankelijke en tegelijk calculerende burgers maakte en hen beroofde van prikkels om zelf initiatieven te nemen. Door mensen welvaart te geven, maak je ze nog niet gelukkig. Want geluk hangt af van dingen die zich per definitie aan beïnvloeding van buiten onttrekken. Bijvoorbeeld van een goede relatie met een partner.  De verzorgingsstaat is inderdaad het product van bepaalde idealen. Maar ik vind dat de ervaringen rond de verzorgingsstaat helemaal geen bewijs zijn van de stelling dat de samenleving niet maakbaar is. We hebben geleerd dat ingrepen in het maatschappelijk leven effecten kunnen hebben die we niet voldoende hebben voorzien. Bij de vormgeving van de idealen achter de verzorgingsstaat zijn andere idealen in de verdrukking gekomen; idealen zoals zelfzorg en persoonlijke verantwoordelijkheid. Daaruit hebben we lering moeten trekken. Nu moeten we zoeken naar wegen waarbij aan die waarden beter recht gedaan kan worden. Velen denken dat de vrije markt een beter mechanisme is om bepaalde idealen te verwezenlijken. Maar de markt kan pas zijn werk doen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Er moet heel wat gemaakt en geregeld worden om dat te bewerkstelligen. In alle sectoren van het maatschappelijk leven wordt tegenwoordig gesproken over kwaliteitszorg, quality-management, aansturen en dergelijke. Die begrippen zouden niet zo populair zijn als wij niet zouden geloven in maakbaarheid. Het leidende ideaal in veel sectoren is dat van de tevredenheid van de klant, ‘consumer satisfaction’. Het ideaal dient te zijn: de klant bieden wat hij hebben wil. Maatschappelijke idealen zijn dus niet verdwenen. Ook achter het realisme van het marktdenken schuilt een ideaal, dat echter niet als ideaal wordt erkend en zich zo aan een discussie onttrekt. 

 

IDEALEN IN EEN MODERNE, GEÏNDIVIDUALISEERDE SAMENLEVING

Idealen zijn nodig. Maar hébben we nog idealen of houden we er alleen nog maar realiseerbare doeleinden op na? Ik denk dat we nog steeds wel idealen hebben maar dat (a) het karakter van onze samenleving het niet gemakkelijk maakt om er bovenindividuele en meer omvattende idealen op na te houden, dat (b) in het maatschappelijke leven we niet worden beoordeeld op ons hoge streven maar op succes, dat (c) het relativisme en ons tolerantiedenken ons dwarszitten: idealen draag je uit en we vinden dat we anderen niet moeten lastigvallen met onze idealen, en dat (d) het ‘dat’ van idealen, de kwaliteit van ons engagement daarmee, belangrijker lijkt te zijn geworden dan de inhoud daarvan. Ad (a). Eerst iets over het karakter van onze samenleving. We leven in een geïndividualiseerde samenleving. Individualisering is een onderdeel van het moderniseringsproces, en dat proces heeft zowel structurele als culturele aspecten. Dat wil zeggen dat modernisering zowel veranderingen in de organisatievormen van een maatschappij omvat als ook in wereld- en levensbeschouwing. Ook het deelproces van individualisering kent die beide aspecten. De term ‘individualisering’ zal ik nu gebruiken om zowel naar de structurele als ook naar de culturele aspecten te verwijzen.4 Individualisering is een proces waarin het individu zich in toenemende mate losmaakt van traditionele ‘nabije’ sociale verbanden, maar tegelijk en afhankelijker wordt van anonieme en verder weg gelegen sociale verbanden. Een gevolg is dat mensen steeds minder als deel van een sociaal geheel behandeld worden, maar als op zichzelf staand. Denk bijvoorbeeld aan de individualisering van allerlei uitkeringen. In zekere zin wordt het individu de centrale sociale eenheid. Het individu maakt deel uit van een veelheid van sociale verbanden. Omdat het niet totaal opgaat in één sociale rol binnen één sociaal verband, maar via verschillende sociale rollen met meerdere sociale verbanden relaties onderhoudt, verwerft het individu zich een bepaalde mate van onafhankelijkheid. Juist doordat het meerdere sociale rollen vervult, kan en hoeft het zich niet met een daarvan te identificeren. De socioloog Thomas Luckmann spreekt in dit verband over roldistantie als kenmerk van een moderne samenleving.5 De fragmentering van de samenleving vindt dus haar pendant in de fragmentering van het sociale leven van de enkeling. Het sociale leven speelt zich minder af in gemeenschappen dan in sociale netwerken waarin mensen contacten onderhouden met steeds wisselende personen. Roldistantie maakt vrijheid mogelijk. Het pendelen tussen allerlei groepen die zich verenigd hebben rond specifieke interesses en deelbelangen is uitdrukking van die vrijheid. Distantie en engagement laten zich echter moeilijk verenigen. Idealen veronderstellen, zo zagen we, een committent aan een zaak. Idealen doortrekken vaak iemands gehele leven. Boven-individuele idealen kun je ook niet in je eentje verwezenlijken. Daarvoor zijn groepen van mensen nodig die elkaar goed kennen, regelmatig zien, ondersteunen etc. Mensen die een gefragmenteerd sociaal leven leiden waarin ze met veel mensen vluchtig contact onderhouden, zullen er niet zo snel toe komen samen met anderen aan maatschappelijke idealen te gaan werken. Voor hen is de samenleving niet meer dan een sociale infrastructuur voor hun persoonlijke leven.  Individualisering houdt in dat niet alleen ‘nabije’ sociale verbanden, maar ook historische verbanden veel minder belangrijk worden. Wie mensen primair als individuen beschouwt, vindt omvattende gehelen minder belangrijk dan de individuen die daarvan deel uitmaken. En niet alleen gemeenschappen zijn omvattende gehelen, de geschiedenis is dat ook. Geïndividualiseerde personen zullen niet zo snel zeggen dat de zin van hun inspanningen gelegen is in het leveren van een bijdrage aan de verwezenlijking van idealen waaraan generaties voor hen gewerkt hebben en waaraan nog talrijke generaties na hen moeten werken. Zin geven aan wat je doet, houdt in dat je in staat bent je inspanningen te verbinden met sociale en historische gehelen die jou in tijd en in ruimte overstijgen. Maar relateren is tegelijk relativeren. In het licht van de geschiedenis zijn jouw prestaties minder belangrijk en is jouw falen minder dramatisch. Dat kan een troostende gedachte zijn. Maar zijn wij geïndividualiseerde mensen nog wel in staat om ons pogen, ons slagen en ons falen, kortom onszelf zo te relativeren?  Ad (b). Dat brengt me bij het punt dat wij niet beoordeeld worden op ons streven maar op ons succes. In het bovenstaande kwam al aan de orde dat het niet in de allereerste plaats belangrijk is dat idealen verwezenlijkt worden. De kans daarop is vaak klein. Het streven daarnaar is belangrijk. Rescher zegt dat als we ons een oordeel vormen over het leven van iemand, we niet alleen naar haar successen vragen, maar ook naar wat zij poogde te verwezenlijken. Maar in onze cultuur is succes heel belangrijk. Mensen worden juist beoordeeld op hun successen en prestaties. Je telt pas mee als je succes hebt. En dan vooral succes op terreinen die in de huidige cultuur belangrijk gevonden worden. We wensen elkaar ook geen sterkte meer bij de dingen die we moeten doen, we wensen elkaar succes. Werken aan idealen leidt echter vaak niet tot snelle en zichtbare successen. En bij idealen die om een gemeenschappelijke inspanning vragen, is het vaak moeilijk om de bijdrage van enkelingen zichtbaar te maken. Een op persoonlijk succes gerichte cultuur is dus geen goede voedingsbodem voor het werken aan lange-termijn idealen.  Ad (c). Relativisme en ons tolerantie-denken zitten ons dwars. Idealen - vooral de boven-individuele idealen - moet je uitdragen, want voor de verwezenlijking ervan ben je op anderen aangewezen. Die moet je dus van de waarde en het belang van die idealen overtuigen. Dat wordt moeilijk als je je op het standpunt stelt dat ieder zijn idealen heeft, dat jouw idealen niet beter of hoger zijn dan die van anderen en dat je daarom vindt dat we anderen niet moeten lastigvallen met onze idealen. Ad (d). Tegen de boven geschetste achtergrond is het begrijpelijk dat, als we al idealen hebben, het idealen zijn die op onszelf en op onze privé-sfeer gericht zijn. Daar komt het al genoemde thema ‘individualisering’ naar voren. Hierboven zagen we dat de term ‘individualisering’ niet alleen verwijst naar structurele aspecten van een deelproces van modernisering, maar ook naar de culturele aspecten daarvan, naar het dominant worden van bepaalde waarden. Ik noem ze individualiteitswaarden. Belangrijke individualiteitswaarden zijn zelfontplooiing, uniciteit en authenticiteit. Zelfontplooiing verwijst naar een proces waarin we worden wat we ten diepste al zijn. De aandacht voor zelfontplooiing is mogelijk geworden door de toegenomen welvaart. Want wie de hele dag bezig is met de zorg voor het overleven van zichzelf en zijn kroost, heeft daarvoor geen tijd. Zelfontplooiing is geen plat hedonisme. Voor velen is het een dure plicht.  ‘In het zweet uws aanschijns zult gij uzelf ontplooien.’ Met het idee van zelfontplooiing verweven is het idee dat ieder mens uniek is. Uniciteit is wat de mens kenmerkt en waardoor hij zich onderscheidt van anderen, en daarmee zijn waarden als authenticiteit en trouw aan jezelf verbonden.  Wat heeft dit te maken met ons onderwerp - idealen? Zelfontplooiing is een ideaal. Dat ideaal nastreven houdt niet noodzakelijk in dat mensen zich niet met zaken buiten zichzelf bezighouden. Maar alles wat ze doen is een uitdrukking van, of staat in dienst van dat ideaal van zelfontplooiing. Niet wat ze doen is van belang, maar of ze daarin en daardoor zichzelf kunnen ontplooien, of het iets is wat echt van henzelf, wat authentiek is. Idealen buiten zichzelf waarmee ze zich bezighouden, zijn afgeleiden van, staan in dienst van het ideaal van zelfontplooiing. Als mensen vooral beoordeeld worden op hun authenticeit, dan wordt de eigenlijke inhoud van de idealen minder belangrijk.6   

 

BESLUIT

De inzet van dit betoog was aan te geven dat idealen onmisbaar zijn, en dat het niet irrationeel is om te streven naar idealen waarvan sceptici en realisten zeggen dat ze onhaalbaar zijn. Idealen horen bij het mens-zijn. Zij geven richting en zin aan het menselijk bestaan. Ik heb tevens duidelijk willen maken wat de invloed van het karakter van de moderne geïndividualiseerde samenleving op de inhoud van idealen is. Wie zich inzet of zelfs wegcijfert voor grootse boven-individuele idealen, hoeft, vrees ik, in onze samenleving niet op veel applaus te rekenen.  

 

 

Aantekeningen

1. Bij het zoeken naar een goede definitie van het begrip ‘ideaal’ en meer in het algemeen bij het schrijven van deze tekst heb ik gebruik gemaakt van enkele publicaties van Wibren van der Burg, met name diens: ‘Idealen: We kunnen niet zonder’, in: Tijd voor idealen. Een uitgave van de Algemene Doopsgezinden Sociëteit/Remonstrantse Broederschap/Vrijzinnige Geloofsgemeenschap Nederlandse Protestantenbond/ Zwinglibond, Amsterdam 1996, 5-15.

2. Deze kenmerken heb ik ontleend aan: Hans Achterhuis, De erfenis van de Utopie, Baarn 1998.

3. Nicholas Rescher, Ethical Idealism, Berkeley 1987.

4. Zie voor een sociaal-filosofische introductie in het verschijnsel modernisering en de theorieën daarover: Willem van Reijen en Hans van der Loo, Paradoxen van de modernisering, Muiderberg 1993. Zie over individualiteitswaarden mijn: ‘Individualisering: Processen, waarden en hun samenhang’, in: In de Marge 3 (1994), no. 1, 21-28.

5. Thomas Luckmann, ‘Persönliche Identität, Soziale Rolle und Rollendistanz’, in: Odo Marquard (red.), Identität, München 1979, 293-313.

6. Over authenticiteit als moreel ideaal schrijft Charles Taylor in zijn: Malaise van de moderniteit, Kampen 1994. Zie ook mijn: ‘Persoonlijke identiteit en authenticiteit’, in: A.W. Musschenga e.a., De mens die je bent. Over identiteit, Kampen 1995, 78-100.